"Me mattie en ik kregen fittie in me osso." Dat is een straattaalzin om te vertellen dat je met een vriend ruzie kreeg in je huis. Uit nieuw onderzoek van het Meertens-instituut blijkt straattaal-woorden die zo'n 25 jaar geleden werden gebruikt nog steeds populair zijn. En waar ze toen vooral gebruikt werden in grote steden is er nu een algemeen gebruik door jongeren in het hele land. Taalwetenschapper René Appel schreef in 1999 een wetenschappelijk artikel over straattaal van jongeren in Amsterdam. Nu hebben drie wetenschappers onderzocht of woorden van toen nog steeds worden gebruikt, vertelt Kristel Doreleijers van het Meertens Instituut. "We hebben onderzoek gedaan in schoolklassen door samen te werken met docenten Nederlands. Er wordt dan les gegeven over straattaal en tegelijkertijd gevraagd of jongeren de betekenis van woorden van toen nog herkennen en ook of ze nog gebruikt worden." Sma wordt ams Uit het onderzoek onder 573 scholieren verspreid over heel Nederland blijkt dat de meeste woorden nog springlevend zijn. Woorden als kill (jongen) en osso (huis) worden veel herkend en gebruikt. Doreleijers: "Je ziet dat die taal nog echt wel meerdere generaties mee kan gaan. En uit het onderzoek blijkt dat straattaal veel meer verspreid is. Vroeger vooral in de grote steden, nu gebruikt in heel het land." Toch is er in al die jaren wel wat veranderd, vertelt taalwetenschapper Khalid Mourigh, die de afgelopen jaren scholen bezocht door heel het land. "Sommige termen zijn een beetje gedateerd en hebben inmiddels een andere betekenis gekregen." Zo stond loesoe eerst voor 'weg' maar nu wordt het vaker gebruikt in de betekenis van 'losgaan'. Ook worden woorden vaak gedraaid: in de lijst van 1999 was sma nog een woord voor meisje, inmiddels is dat ams. " Veel jongeren herkennen nu ook het woord sma niet meer." 10 woorden 10 populaire woorden uit het onderzoek met de betekenis volgens taalwetenschapper René Appel in 1999. pasen = geven chickie = meisje patta's = schoenen fittie = vechten of gevecht jonko = joint loesoe = weg fatoe = grapje osso = huis doekoe = geld tatta = Nederlander Veel van die woorden worden gebruikt komen uit het Sranantongo (Surinaams) maar er zijn ook invloeden uit het Engels, Marokkaans Arabisch, Riffijns Berber en andere talen. Volgens Mourigh ligt de oorsprong van straattaal in de jaren zeventig toen veel Surinamers naar Nederland kwamen. "Ze spraken Nederlands maar ook Sranantongo. Die talen werden dan vaak gemixt. Bovendien hadden ze vaak een soort van straatprestige waar andere jongeren tegenop keken. Dat werd later straatcultuur die zich verspreidde in de grote steden. Andere jongeren nemen het over en zeggen: 'ik ga loesoe'. Zij weten dan niet meer dat het woord oorspronkelijk uit het Surinaams komt." Paniek In krantenartikelen uit de jaren negentig klonk soms paniek door als het over straattaal ging, zegt Mourigh. "Zo van, het Nederlands gaat naar de knoppen en die jongeren spreken geen Nederlands meer." Volgens de taalwetenschapper ligt dit genuanceerder. "Dat heeft denk ik eerder te maken met het feit dat het taalaanbod niet goed genoeg is. Ik denk dat die dingen vaak onterecht aan elkaar gelinkt worden. Denk ook eens aan dialect. Stel je voor dat je Limburgs spreekt met je opa of oma, dat betekent niet dat je per se slechter Nederlands spreekt in de klas. Ik denk dat de meeste jongeren wel gewoon weten wanneer ze moeten schakelen en dat ook kunnen." Inmiddels zijn sommige woorden zo ingeburgerd dat ze zelfs in de Tweede Kamer opduiken. Zo wordt er gesproken over een 'fittie' als er gedoe is bij een partij. Niet tot genoegen van jongeren, zegt Mourigh. "Over het algemeen vinden ze het niks dat hun ouders of oudere mensen die taal gebruiken. Dan zeggen ze, dat kan echt niet."