Vlissingen is een piratennest. Altijd al geweest. Brutaal en opportunistisch, niet bang om de handjes te laten wapperen of de vuistjes te laten spreken. Slavenhandel, kaapvaart, smokkel; als wij het niet doen, doet een ander het wel. Altijd een paar rijke stinkerds aan de top, amper een middenklasse en een enorme, uitgeknepen onderklasse. De scharrebakken, de schrapers, het reutjepedeu uit de versleten sloppen. Op Souburg werden ze nageroepen: Vlissingse rooien, ze stele en ze schooie, mee d’r kop vol luzen en d’r broek vol vlooien.