De doodgraver wachtte bij de deur tot ik hem binnenvroeg. Hij wist dat er bijna iets levensgevaarlijks was aan zijn taak; alleen met toestemming kon hij handelen. Want hij was gekomen om de kist met mijn kleine broer erin te sluiten. En hij moest eerst langs mij. Als ik toen niet al in de opstanding van de doden had geloofd, had hij meteen weer kunnen omdraaien.